Ateliernieuws: Vlaamse Expressionisten in Museum Kranenburg

 

Tot 10 juni 2019

 

Gezien het grote animo bij De Zondagsschilders voor het figuratieve schilderen en beeldhouwen biedt museum Kranenburgh in Bergen een unieke kans om inspiratie op te doen. In de tentoonstelling Vlaamse Expressionisten zijn meer dan zestig werken bijeengebracht die een gevarieerd beeld geven van hoe Vlaamse kunstenaars eind negentiende en begin twintigste eeuw een eigen vorm van het expressionisme ontwikkelden. Dat gebeurde vertraagd t.o.v. de kunstontwikkelingen elders in Europa, en ook met meer aarzelingen.

Velen waren gevormd door en gehecht aan de impressionistische schilderstijl van de academie in Gent, maar zochten vandaaruit naar nieuwe wegen. Belangrijke dragers van deze ontwikkeling waren Gustave de Smet, Frits van den Berghe en Constant Permeke, allen prominent aanwezig op de tentoonstelling. Zoals ook de schilders Rik Wouters en Constant Permeke, die zich al vroeg het mees

t drastisch toonden in het zoeken naar vernieuwing. Bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog vluchtte een aantal van hen naar Nederland (Permeke naar Engeland), waar zij geconfronteerd werden, in exposities en vriendschappen met bijv. Leo Gestel en Jan Sluyters, met het elan van het expressionisme dat zich elders in Europa had ontwikkeld. Dat is van invloed geweest en, teruggekeerd in België, ontstond een hernieuwd en grensverleggend zoeken naar nieuwe vormen, en dit keer ook een bloeiend en meer georganiseerd kunstenaarsleven. Ter illustratie drie voorbeelden.

Gust de Smet is een voorbeeld van de ingetogen en geheel eigen stijl van de Vlaamse Expressionisten uit die latere periode, met hun typische aardtinten en blauwe accenten. In het grote schilderij De Herberg (1925) bouwen de kleurvlakken de diepte, en maken de vereenvoudigde omtrekken van de menselijke figuren hen tot algemene types. Het verbeeldt aldus bij uitstek een ongedwongen stemming, zonder dat sprake is van een snapshot van een werkelijke gebeurtenis.
Hoe hecht de schilders, schrijvers en dichters met elkaar omgingen wordt getoond met het werk Marc groet ’s morgens de dingen, van Floris Jespers (1928), een innemend portret van zijn zoon. Jespers had zijn vriend Paul van Ostaijen verteld over de gewoonte van zijn zoontje, een kleine kleuter nog, om bij het opstaan de op huisraad en schilderijen afgebeelde voorwerpen te begroeten. Dit ochtendritueel ontroerde Van Ostaijen en hij maakte er een gevoelig gedichtje over, dat op de tentoonstelling naast het schilderij hangt:

Dag ventje met de fiets op de vaas met de bloem
ploem ploem
dag stoel naast de tafel
dag brood op de tafel
dag visserke-vis met de pijp
en
dag visserke-vis met de pet
pet en pijp
van het visserke-vis
goeiendag
Daa – ag vis
Dag lieve vis
Dag klein visselijn mijn
(Paul van Ostaijen, uit Verzamelde gedichten, 1925)

Drie jaar later maakt Jespers zijn schilderij Marc groet `s morgens de dingen, een portret van zijn zoon, stralend wit geplaatst voor een decor van twee dominerende kleurvelden. De lichamelijke proporties kloppen niet en de regels van het perspectief worden niet gevolgd. De jongensfiguur is bijna kinderlijk geportretteerd, zoals de oudere kleuter een mensfiguur kan tekenen. Stramme benen, waarbij de gespreide voeten een steviger grond lijken te zoeken aan de onderrand. De opvallend lange nek (nog afwezig bij de zogenaamde koppoters van een kleine kleuter), wat kan wijzen op een ontluikend besef van het belang van het hoofd, het denken, regie. De lange armen en grote handen tillen zijn poes. Hier staat in zijn aandoenlijke afhankelijkheid een fragiel IK, dat de dingen al zelf wil doen. Waar het gedicht het onbekommerde gevoelsleven van de tweejarige verwoordt, toont het schilderij de gevoelsconflicten van de vijfjarige. De schilder, zijn vader, heeft dat prachtig vormgegeven.

In het schilderij Meisje (Dédé) aan tafel, van Leon de Smet (1921), een schilder die zich nooit helemaal heeft kunnen vinden in het expressionisme en steeds weer verder zoekt binnen impressionistische technieken, zie je een meisjesfiguur opdoemen in een heel druk en weelderig decor van behang, tafelkleed, theeservies en vaas met bloemen. De Smet heeft de fijnverdeelde toetsjes losgelaten en werkt met grotere kleurtoetsen, en de grove jute waarop het is geschilderd laat onbeschilderde plekken meedoen in de ondertoon van het schilderij. Maar het meisje dreigt niet op te gaan in haar omgeving. Variatie in de textuur (paletmes) en de relatief eenvoudige lijnen en vormen van het meisje in de rotanstoel dwingen je te kijken naar deze pre-puber en je te concentreren op haar gevoelens. De houding van haar hoofd en haar blik: is ze gespannen? Argwanend? Of houdt ze alleen afstand? Haar houding: getuigt die van lusteloosheid? Is ze boos of gepikeerd?

Kortom, voor wie in het schilderen, beeldhouwen en boetseren nieuwe uitdrukkingsvormen wil proberen: deze uitgebreide tentoonstelling biedt een rijke inspiratiebron.
De tentoonstelling is een samenwerking met model (Museum Deinze en de Leiestreek) en een buitenlandse privécollectie en voorzien van een catalogus, getiteld De nieuwe morgen. Die is weliswaar prijzig, maar bevat mooie en grote afdrukken van de in Bergen tentoongestelde werken, en ook nog van vele andere stukken van Vlaamse expressionisten, en biedt daarnaast erg veel kunsthistorische informatie in artikelen en beschrijvingen bij de afbeeldingen. Een prachtig naslagwerk.

De tentoonstelling is te bezoeken tot 10 juni.
Anneke Zijp

Beeldmateriaal:
Gust De Smet, De Herberg, 1925. Olieverf op doek, 140×110 cm, The Phoebus Foundation
Floris Jespers, Marc groet ’s morgens de dingen, 1928. Olieverf op doek, 85×60 cm, collectie The Phoebus Foundation
Leon De Smet, Meisje (Dédé) aan tafel, 1921. Olieverf op doek, The Phoebus Foundation